Herverdeling risico pensioenkosten

Risico's en dekking

In de discussie over de toenemende pensioenkosten wordt opvallend weinig gesproken over herverdeling van het risico. Ten onrechte.
Vergrijzing is op zichzelf geen ramp. Een sluipende beurskrach ook niet. De combinatie van de twee verschijnselen wel, zeker als die zich voordoet vlak nadat vele pensioenfondsen de portie aandelen in hun beleggingsportefeuille verhoogden. En het wordt helemaal erg als tegelijkertijd werkgevers door mindere resultaten de druk op hun arbeidskosten zien toenemen.

Werkgevers die hun pensioenlasten willen aanpakken, kunnen zich richten op de aanspraak (hoeveel pensioen wordt er betaald) en de financiering (wie betaalt er). De aanspraak wordt vooral beperkt door het eindloonstelsel te verruilen voor een middelloonregeling, of door het te maximeren. Het kabinet doet nu een duit in het zakje door de fiscale faciliteit achter prepensioen- en VUT-regelingen te laten vervallen. Op het punt van de financiering draait het vooral om de introductie (bij de banken) of verhoging van een eigen bijdrage van werknemers.

Versobering

Tot op heden liepen de werkgevers eigenlijk alleen (en ongeclausuleerd) het risico van de toenemende pensioenkosten. Het is opvallend dat in veel van de discussies over de pensioenkosten weinig gesproken wordt over een herverdeling van dat risico. Want ook als de regeling versobert, blijft de werkgever het risico dragen van de pensioenlasten. Werkgevers en werknemers zouden ervoor kunnen kiezen de pensioenaanspraak gelijk te houden, maar de financiering te variëren.
In dit kader is het wellicht nuttig om de risico’s in een pensioenregeling nader te beschouwen.

  1. Het carrièrerisico.

    Een snellere carrière, met name op latere leeftijd, maakt de kosten lastig te beheersen. Dit risico is nauw verbonden met een eindloonregeling en is redelijk goed te ondervangen met een middelloonregeling.

  2. Het inflatierisico.

    De inflatie wordt veelal gedekt door hetzij de algemene loonronde (van belang in een eindloonregeling) hetzij de indexatie van reeds opgebouwde pensioenen (middelloon). Het valt te verwachten dat er allerhande afspraken komen waarin de indexatie van opgebouwde pensioenen niet meer per definitie gelijk is aan de looninflatie. Nu al zijn constructies gebruikelijk waarbij de indexatie in principe gelijk is aan de prijsinflatie (doorgaans lager dan de looninflatie) en alleen hoger kan worden vastgesteld als het pensioenfonds (of de verzekeraar) voldoende middelen heeft (afhankelijk van het rendement).

  3. Het rendementsrisico.

    Tot op heden merken werknemers hier weinig van. In een eindloonregeling speelt het nauwelijks en in een middelloonregeling is het afhankelijk van de afspraken rond de indexatie. Alleen in een beschikbare premieregeling ligt het risico volledig bij de werknemer, en juist dit pensioenstelsel komt weinig voor.

Het carrière- en inflatierisico worden in een middelloonregeling verdeelt tussen werknemers en werkgevers, het rendementsrisico maar heel beperkt. De afgelopen jaren hebben laten zien dat inflatie en rendement niet altijd samenhangen.

Het rendementsrisico kan op verrassend simpele wijze geheel of gedeeltelijk bij de werknemers worden gelegd. Werkgever en werknemers spreken met elkaar af welk percentage van de loonsom (of de pensioengrondslag) de werkgever maximaal betaalt. Over het verschil tussen de jaarlijkse afgesproken lasten en de daadwerkelijke lasten worden aanvullende afspraken gemaakt, bijvoorbeeld met een staffel waarbij de werknemersbijdrage hoger wordt naarmate de werkelijke lasten meer afwijken van het afgesproken maximum.

De pensioenproblematiek alleen aanpakken via de aanspraak, zoals nu veelvuldig gebeurt, is een moeizaam proces en neemt een voorschot op toekomstige ontwikkelingen. Want als de economie weer aantrekt, gaat men de versoberde regeling dan weer optuigen? Richt men zich daarentegen op de financiering, dan maakt men afspraken over de verdeling van de kosten, en die kunnen elk jaar weer anders uitpakken.
Mocht over een reeks van jaren blijken dat de kosten voor de werknemers ondragelijk worden, dan kan men alsnog de regeling versoberen - alleen ditmaal op verzoek van de werknemers! Mocht de economie weer aantrekken en mooie rendementen brengen voor het pensioenfonds, dan resulteert dit automatisch in een lagere premie voor de werknemer én werkgever.

Maatwerk

Het op deze wijze benaderen van de pensioenproblematiek leent zich bij uitstek voor branche- en sector-CAO’s met raamafspraken. Men hoeft geen gedetailleerde afspraken te maken over de aard van de pensioenregeling, een afspraak over de verdeling van de kosten volstaat. De exacte regeling kan dan per bedrijf op maat gesneden worden binnen de kostenafspraak.

Mijn advies luidt dus: ga met uw personeel in discussie over de financiering van het pensioen. U kunt bijvoorbeeld de kostenverdeling vaststellen op basis van een reeks van jaren (de vorige vijf jaar, de komende vijf jaar). U kan dan de financiële doelstelling bereiken zonder een lastige en pijnlijke discussie over de aard van de regeling.

Mochten de kosten dermate hoog zijn dat de financiering een struikelblok vormt voor de werknemers, dan kunt u alsnog een versobering van de regeling voorstellen (bijvoorbeeld een overgang naar een middelloonregeling). Bij een eventuele versobering van de regeling krijgt u dan meer draagvlak bij het personeel (zij gaan immers minder premie betalen) dan wanneer u alleen afspraken wilt maken over een soberder regeling. Bovendien past deze systematiek binnen de maatschappelijke tendens om de risico’s tussen werkgever en werknemer anders te verdelen.

Bas van den Brink


 

Dit artikel is gepubliceerd in Intermediair PW

 

Column Logo OiviviO

Drie risico's pensioenregeling

  1. Carrière
  2. Inflatie
  3. Rendement